Papier, potlood naast het bed
Sinds mijn schooltijd geldt: als er ’s nachts iets belangrijks in me opkwam, schreef ik het op.
Vaak was het een te regelen zaak, een idee, een belangrijke gedachte, bijvoorbeeld in verband met een afspraak. Als het echt belangrijk was, stond ik op, ging naar de badkamer en maakte ik een notitie. Daarna kon ik snel weer inslapen, omdat mijn taak veilig was: hij ging niet verloren.
Na mijn instorting kon ik lange tijd niet slapen. Als het me toch lukte om in slaap te vallen, sliep ik heel licht. Ik schrok vaak wakker van een geluid, of omdat mijn brein ergens een onderwerp oppikte en het niet meer losliet.
Gedachten tolden in mijn hoofd; vaak ging ik steeds opnieuw door hetzelfde thema heen. Een thema dat in veel gevallen helemaal geen betekenis had, en juist dat maakte de aanwezigheid van die gedachten nog irritanter.
Ik probeerde schapen te tellen, me op mijn ademhaling te concentreren, allerlei methodes. Het werkte niet. De gedachten bleven, ik bleef woelen.
Achteraf is het interessant om te zien hoe mijn brein in die periode vernauwde. De oude, beproefde methode – uit bed stappen en mijn gedachte opschrijven – kwam niet eens in me op. Later wel, maar omdat ik het onderwerp niet belangrijk vond, bleef ik in bed liggen en vocht ik met mijn gedachten om eindelijk in slaap te vallen.
Toen kwam dat ene zinnetje dat mijn gedachte niet losliet: vergeet het vooral niet. Vanaf dat moment was het zeker dat ik niet meer in slaap zou vallen.
Eindelijk, toen ik me weer de methode met papier en pen in de badkamer herinnerde, stond ik natuurlijk op, ging naar buiten en schreef het op. Niet om het op te lossen – vaak was er niets op te lossen – maar alleen om mezelf gerust te stellen: het staat op papier, het gaat niet verloren. Omdat het onderwerp meestal toch niet belangrijk was, kwam ik er later niet eens meer op terug. Zo kalmeerde ik het nachtelijke gepieker.
Het nadeel was alleen dat ik, tegen de tijd dat ik weer in bed lag, helemaal wakker was. Het licht en de beweging hadden me eruit gehaald.
Daarom verhuisden het schrift en de pen uiteindelijk naar naast mijn bed. Ik hoefde niet meer uit bed en deed het licht niet aan. Ik maakte aantekeningen in het donker. Alleen begon ik, nadat ik mijn gedachte had opgeschreven, te piekeren of de pen wel had geschreven en of ik ’s ochtends zou kunnen lezen wat ik had genoteerd. Mijn brein vond weer een nieuw houvast.
De oplossing werd uiteindelijk een potlood met een zachte punt. Een potlood naast het bed, samen met het schrift. Zo wist ik zeker dat wat ik opschreef er ’s ochtends nog zou staan. Vaak was één enkele X genoeg. Een teken dat dit belangrijk is. En dat was al voldoende voor mijn brein om los te laten.
De potloodmethode werkt voor mij.
Na het noteren draai ik me om, sluit mijn ogen en val in slaap.
Maak jouw eigen website met JouwWeb