Ik heb een zus gekregen
Een paar maanden geleden voelde ik voor het eerst dat ik een zus heb.
Ik verlangde naar wat ik van anderen hoorde: dat broeder- en zusterliefde iets vanzelfsprekends is. Dat broers en zussen elkaar liefhebben en dit op verschillende manieren uitdragen.
We waren nooit goede zussen, zelfs niet als volwassenen. We leefden elk ons eigen leven, zonder samen dingen te doen of elkaar te steunen. Er was niet eens een gemeenschappelijk onderwerp om over te praten. Ik was afstandelijk tegenover haar. Haar wereld bleef voor mij onbekend, simpelweg omdat ik er nooit naar heb gevraagd.
Als kind was ik fysiek sterker dan zij, ondanks dat ik de jongere was. Maar in haar zat een vuur, een kracht van woede en agressie die haar sterker maakte. Ze kon me pijn doen, omdat ik niet wilde vechten. Ik wilde mezelf niet verdedigen. Ik wilde alleen rust. Ik kon niet begrijpen waarom ze mij pijn deed en me voor anderen belachelijk maakte.
Later, toen we volwassen waren en zij inmiddels een gezin had, herinner ik me een moment dat we hen op bezoek waren. Ik nam afscheid van iedereen met een kus, maar niet van haar. Mijn partner vroeg zich af waarom ik haar geen kus gaf en wees me erop dat dit pijnlijk voor haar kon zijn. Op dat moment realiseerde ik me niet hoe ongemakkelijk dat voor haar was. Voor mij was het geen bewuste keuze; ik voelde simpelweg geen behoefte aan die intimiteit.
Daarna gaf ik haar "artistieke kusjes" vanaf een afstand.
Toen ik doorhad dat ze me als kind zo behandelde omdat de omstandigheden het toelieten, kon ik niet langer boos op haar blijven.
Haar keuzes als volwassene beoordeel ik echter anders. Het feit dat ze mijn foto niet naast die van de anderen in de kamer van mijn vader heeft opgehangen—terwijl die foto's in zijn laatste fase zijn enige gezelschap waren—is iets dat moeilijk te vergeven is. Rond drie jaren lang was ik erg boos op mijn zus. Ik wilde geen contact met haar, wilde haar niet eens zien.
Toen begon die woede langzaam te verzachten.
Vorig jaar bezocht ik haar, samen met enkele jeugdvriendinnen, om te begrijpen hoe zij zich mijn kindertijd herinnerden. Ik bevond me in een fase van verwerking en voelde de behoefte om deze herinneringen te verhelderen.
Ik had een opmerkelijk gesprek met mijn zus. Ze heeft zich nooit voor iets verontschuldigd. Terwijl dat op zich niet het belangrijkste was, had het fijn geweest als ze zich bewust was geworden van wat er was gebeurd.
Voorzichtig deelde ik in enkele zinnen mijn ervaringen uit mijn jeugd. Ze reageerde door te vertellen dat zij ook met haar eigen uitdagingen had geworsteld, waarbij ze ooit moest kiezen tussen een winterjas en een cursus. Daarmee was het onderwerp afgesloten. Ik had niets meer om aan toe te voegen.
Ik vroeg haar hoe onze ouders de ansichtkaarten ondertekenden die ze naar haar stuurden. Ze kon het zich niet herinneren en beloofde het nog eens na te kijken. Tot op de dag van vandaag heb ik daar echter geen antwoord op gekregen. Het is ook niet van belang. Op mijn kaarten stonden alleen hun namen, zonder enige aanwijzing dat zij mijn ouders waren.
Een paar maanden geleden kwam er echter een keerpunt. Ik heb mijn zus eindelijk alles kunnen vergeven. Toen ik haar onlangs bezocht, planden we samen een uitje en bleef ze bij me logeren in mijn gehuurde appartement. We kozen ervoor om niet over het verleden te praten. Dat was goed zo.
De volgende dag, toen ik afscheid van haar nam, gaf ik haar echte kussen. Vanuit mijn hart. Het voelde goed.
Zij gaf nog steeds artistieke kusjes, maar dat is helemaal prima. Zij heeft nog tijd nodig.
Het maakt niet uit wat er is geweest.
Wat echt telt, is dat ik nu voel: ik heb een zus.
Maak jouw eigen website met JouwWeb